Faculteit Geneeskunde in cijfers

Glijd met je cursor over de grafiek voor de specifieke aantallen; je kunt jaartallen, periodes of variabelen selecteren, sorteren of apart weergeven door je muis ingeklikt te houden en te slepen; bekijk de grafiek full screen.
 

Aanvankelijk en vandaag de grootste

In 1817 is de faculteit Geneeskunde één van de vier stichtende faculteiten van de Gentse universiteit. In haar beginjaren is ze samen met de faculteit Rechtsgeleerdheid de grootste. De Geneeskunde is de enige Gentse faculteit met een voorgeschiedenis die teruggaat tot 1663 met de oprichting van het Collegium Medicum Gandavense. Het hoge aantal inschrijvingen in 1817, 76 studenten of 40% van alle inschrijvingen, doet gezien de continuïteit van een medische opleiding in Gent niet verbazen. De Belgische revolutie doet het aantal studenten inkrimpen: de kersverse regering beslist om een aantal faculteiten aan de drie universiteiten af te schaffen, waaronder de faculteit Wetenschappen aan de UGent. Dit is nefast voor Gentse aspirant geneeskundigen: zij zijn gedwongen om hun voorbereidende kandidatuur in de wetenschappen te behalen in Luik. In 1835 wordt deze situatie ongedaan gemaakt en de faculteit Geneeskunde ‘gered’ van de ondergang. Toch zal het studentenaantal lang onder het hoge peil van 1830 blijven. Pas anno 2015 zal de faculteit Geneeskunde opnieuw de grootste zijn van de UGent met 18% van het totaal aantal studenten.

De grootste door de lange studieduur

De omvang van de faculteit Geneeskunde heeft veel te maken met de lange studieduur. Vóór 1929 bedraagt de studielengte zes jaar: twee kandidatuursjaren in de wetenschappen, twee kandidaturen in de geneeskunde en twee doctoraatsjaren. Een wet in 1929 hervormt het systeem: de opleiding bestaat nu uit drie kandidatuursjaren in de natuur- en geneeskunde en vier vervolgjaren die bestaan uit proeven in de genees-, heel- en verloskunde. Pas in 2011 zal de opleiding opnieuw teruggebracht worden van zeven naar zes jaar. Het immense kluwen van specialisatiejaren dat bovenop de studieduur komt, is geen recent fenomeen. De periode 1876-1930 kenmerkt zich door een explosie van nieuwe specialismen: neus-, keel- en oorheelkunde, tandheelkunde, oogheelkunde en tal van andere specialisaties krijgen een universitaire leerstoel en in veel gevallen zelfs een aparte kliniek. De Eerste Wereldoorlog maakte overduidelijk dat medische specialisatie onafwendbaar en noodzakelijk is. Vandaag kunnen aspirant dokters na hun zesjarige opleiding kiezen voor enerzijds een master in de huisartsengeneeskunde of anderzijds een opleiding tot arts-specialist met een keuze uit maar liefst 30 specialismen van variërende studieduur. Een gevolg van die lange studieduur is dat effecten van hervormingen op het studentenaantal minder duidelijk zijn dan in faculteiten met korte opleidingen. Het gemiddelde van minimaal zes of zeven studiejaren, vlakt bruuske schommelingen af.

De faculteit verliest twee scholen maar wint studenten

1876 luidt een eerste groeispurt in voor de Geneeskunde. Het humanioradiploma is niet langer een toelatingsvoorwaarde en de faculteit kan als eerste genieten van een aantal ingrepen ten voordele van het praktisch onderwijs. Het studentenaantal stijgt van 84 in 1876 naar 205 in 1891. Maar de meest spectaculaire groeiperiode kent de Geneeskunde 100 jaar later. Dan stijgt de studentenpopulatie van 646 studenten in 1966 naar 2.407 in 1968, dat is bijna een verviervoudiging. Door de afschaffing van de gemeenschappelijke kandidatuur voor de wetenschappen en geneeskunde in 1968/69, komen studenten die voorheen bij de faculteit Wetenschappen hoorden, nu meteen in de Geneeskunde terecht. De massificatie van eind 1960 maakt de situatie in de wetenschapsfaculteit onhoudbaar: de afschaffing van de voorbereidende kandidaturen is een noodzakelijke oplossing voor een onwenselijk hoog aantal studenten. Deze afschaffing in combinatie met de algemene massificatie die eind 1960 aan de gang is, zorgt ervoor dat de stijging van de faculteitspopulatie Geneeskunde spectaculairder lijkt dan ze eigenlijk is: het is een evolutie die al enkele jaren loopt, maar onzichtbaar was door de voorbereidende kandidaturen. In diezelfde periode komen de Diergeneeskunde (1968) en de Farmaceutische Wetenschappen (1970) los van de faculteit Geneeskunde. De faculteit mag dan wel twee scholen verliezen, studenten verliezen doet ze niet.

Minder mannen, meer vrouwen

De jaren 1970 en 1980 kenmerken zich door een daling van het studentenaantal. Deze daling is bijna uitsluitend op het conto te schrijven van de mannelijke studenten: zij verminderen van 1.925 in 1976 tot 708 in 1989, wat neerkomt op een daling van maar liefst 55%. Het aantal vrouwelijke studenten blijft in deze periode wél stabiel en zal daarna stelselmatig stijgen om vanaf 1991 dominant te worden. De feminisering van de geneeskunde, net zoals de diergeneeskunde en farmacie, start blijkbaar met een dalend aantal mannen. Vooral maatschappelijke ontwikkelingen liggen aan de basis van de vervrouwelijking van deze richtingen, waaronder de opkomst van deeltijds werk, toenemende onderwijsparticipatie en het tweeverdienersmodel. Waarom het aantal mannen zo sterk afneemt, is voer voor verder onderzoek.

Heeft het toelatingsexamen het gewenste effect?

1997 is een belangrijk jaar voor toekomstige (tand)artsen: vanaf dan zijn zij verplicht om te slagen voor een toelatingsexamen alvorens aan de opleiding te mogen beginnen. De regering wil daarmee het aantal (tand)artsen ‘contingenteren’: ze zijn met te veel en een toelatingsproef moet dit oplossen. Het hoeft niet te verbazen dat dit de studentenpopulatie beïnvloedt. In het academiejaar 1997/98 zijn de geneeskunde-eerstejaars met een vijfde minder dan het jaar voordien (165 in plaats van 205). De cijfers voor de hele faculteit Geneeskunde tonen een rooskleuriger beeld: na een periode van stagnatie op het einde van de jaren 1990, gaat de studentenpopulatie vanaf de jaren 2000 spectaculair de hoogte in. Niet-geslaagde studenten voor de toelatingsproef stromen dikwijls door naar de richting Biomedische Wetenschappen, ook onderdeel van de faculteit. De invloed van het toelatingsexamen kan hierdoor dus minder zichtbaar zijn in de grafiek. Anderzijds liggen de slaagcijfers dankzij het toelatingsexamen in de richtingen genees- en tandheelkunde zeer hoog. Het toelatingsexamen lijkt dus haar gewenste effect te hebben en het aantal gediplomeerde artsen te limiteren. Minder gewenst is de beperkte instroom voor de studies tandheelkunde, slechts 10% van de geslaagden kiest die richting en dat is onvoldoende om het aantal tandartsen in Vlaanderen op lange termijn op pijl te houden.

Lore Goovaerts
Masterstudent Geschiedenis
23 november 2015

Hoe verwijs je naar dit artikel? 
Goovaerts, Lore. "Faculteit Geneeskunde in cijfers." UGentMemorie. Laatst gewijzigd 18.08.2017. www.ugentmemorie.be/artikel/faculteit-geneeskunde-in-cijfers

Methodologie

De grafieken tonen voltijdse, unieke studenten in eerste, tweede en derde opleidingscyclus.
In de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen (1817/18-2016/17) zijn begrepen:

  • Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen (1817-2017)
  • Hoger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding (HILO) (1909-1992)
  • Centrum voor Biochemie (CB) (1949-1985/86)

Bibliografie

Gent: 300 jaar geneeskunde. Gent: Faculteit Geneeskunde RUG, 1990.
“De Fakulteit der Geneeskunde.” In Gedenkboek van de Rijksuniversiteit te Gent na een kwarteeuw vervlaamsing (1930-31 – 1955-56), uitgegeven door Theo Luyckx, 284-366. Gent: RUG, 1957.
Janssen, P.J. “Vlaanderens toelatingsexamen arts-tandarts. Resultaten na negen jaar werking.” Tijdschrift voor Geneeskunde 62, 22 (2006): 1569-81.
Lahaye, Nadine. “De nieuwe lichting.” Schamper 353 (1997). Geraadpleegd 28.10.2015. http://www.schamper.ugent.be/353/nieuwe-lichting
Palm, L.C., G. Vanpaemel en F.H. van Lunteren. “De toga om de wetenschap. Ontwikkelingen in het hoger onderwijs in de geneeskunde, natuurwetenschappen en techniek in België en Nederland (1850-1940).” Gewina 16, 3 (1993): 5-9.
Schepers, R.M.J. “Om de eenheid van het medisch beroep. Het debat over de specialisatie in België (1900-1940).” Gewina 16 (1993): 155-70.
Vanderdeelen, Joost. “Opleiding geneeskunde wordt jaartje korter.” Schamper 487 (2010). Geraadpleegd 28.10.2015. http://www.schamper.ugent.be/487/opleiding-geneeskunde-wordt-jaartje-korter
Van der Aa, Fenneke. “Toelatingsexamen geneeskunde en tandheelkunde verandert.” Schamper 499 (2011). Geraadpleegd 28.10.2015. http://www.schamper.ugent.be/499/toelatingsexamen-geneeskunde-en-tandheelkunde-verandert
Van der Velden, L.F.J, L. Hingstman, P.J.M Heiligers en J. Hansen. “Toenemend percentage vrouwen in de geneeskunde: verleden, heden en toekomst.” Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 152 (2008): 2165-71.

Deel deze pagina: