Etnografische Verzamelingen

Het blijft een vreemde ervaring: je wandelt Het Pand binnen, het oude Dominicanenklooster in Onderbergen, waar de universitaire stafdiensten huizen en de Faculty Club zich bevindt. Plots sta je er oog in oog met een Ganeshabeeld uit de Hindoe-Javaanse oudheid. Het beeld, dat een godheid voorstelt, zit in lotushouding en heeft een merkwaardige olifantenkop. Het is meer dan duizend jaar oud en staat mijlenver van het dagelijkse leven van de universiteit. Toch staat het daar, samen met zijn volkse ‘broer’, als onderdeel van de etnografische collecties van de Gentse universiteit, en is het onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van deze instelling.

De etnografische verzameling

De twee Ganesha’s maken oorspronkelijk deel uit van het Musée des Antiquités de L’Université de Gand, samen met andere stukken uit Java die in de jaren 1820 aan de universiteit geschonken zijn. Met het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) behoort de pas opgerichte Gentse universiteit immers tot een koloniale natie, met belangrijke bezittingen in Indonesië. In 1825, 1826 en 1829 kan de stad de hand leggen op zendingen uit Java die vervolgens terechtkomen in de collecties van de universiteit. Daar worden ze gebruikt in het onderwijs en onderzoek.

Dit kabinet ‘Javanica’ vormt de start van de huidige ‘Etnografische Verzamelingen van de Universiteit Gent’ (EVUG). Die verzamelingen zullen in de volgende jaren stelselmatig uitbreiden en naargelang de evolutie van het onderwijs en onderzoek een gang maken doorheen de coulissen van de universiteit. ‘Van zolderverdiepingen naar kelderruimten versleept, gestouwd in enkele serre-achtige vitrines die nieuwsgierige kijkers letterlijk en figuurlijk op de knieën dwongen, dan weer opgestapeld in enkele aftandse toonkasten of geborgen in ontoegankelijke kisten en koffers, delen de Gentse ethnographica het lot van verscheidene, gelijkaardige collecties hier te lande’, schreef Pieter Jan Vandenhoute, de toenmalige EVUG-directeur, in 1968.

Vandaag bewaren de Etnografische Verzamelingen stukken uit Afrika, Oceanië, Amerika en Indonesië. De totstandkoming van deze collecties hangt samen met de vorming van verwante disciplines als etnografie, oudheidkunde, kunstgeschiedenis en antropologie. Vanaf het einde van de negentiende eeuw groeien deze disciplines geleidelijk uit elkaar tot aparte specialisaties met eigen methodes en eigen instituten en vakgroepen. En de collecties, die volgen de evoluties van het wetenschappelijke organigram. Wetenschapsgeschiedenis en collectiegeschiedenis gaan immers samen. Dat maakt de geschiedenis van academisch erfgoed zo complex.

Frans Olbrechts

Na de schenkingen uit de Hollandse Tijd realiseert de kunsthistoricus, oudheidkundige en classicus Adolf de Ceuleneer een tweede belangrijke uitbreiding. Voor wat dan het ‘Museum voor Kunst en Oudheidkunde’ genoemd wordt, koopt De Ceuleneer in 1895 een belangrijke precolumbiaanse collectie aan. Zijn collega Camille de Bruyne, een bioloog, die ook het vak ‘menschenaardrijkskunde’ moet doceren, koopt ongeveer gelijktijdig ‘dubbels’ aan uit het Berlijnse Museum für Völkerkunde. Het gaat daarbij om vrij omvangrijke etnografische collecties uit Amerika, Afrika en Australië, die hij onderbrengt in zijn ‘Biogeografisch Instituut’. Toezichthouder Van Oye scheidt de naturalia en artificialia van het Institut de Biogeographie en legt in 1928 de basis voor het Ethnographisch Museum. Het wordt in 1935 samengevoegd met het oude Musée des Antiquités de L’Université de Gand tot één Museum voor Volkenkunde. Dat gebeurt onder impuls van Frans Olbrechts, een van de founding fathers van de wetenschappelijke etnografie en de studie van de niet-westerse kunst.

Olbrechts, een germanist van opleiding, heroriënteert zich naar de studie van ‘primitieve’ culturen na een schoolmakend verblijf in de Verenigde Staten, waar hij veldwerk verricht bij diverse indianenvolken. Hij groeit uit tot een sleutelfiguur in de emancipatie van de etnografie en later de antropologie tot een zelfstandige discipline. In de jaren 1930 organiseert hij het etnografische onderwijs en onderzoek aan de Gentse universiteit; in de jaren 1940 en 1950, tot aan zijn vroegtijdige dood in 1958, zal hij als hoogleraar, directeur van het Afrikamuseum in Tervuren en auteur van baanbrekende publicaties als Plastiek van Kongo (1946), een toonaangevende figuur in de nationale en internationale wereld van de antropologie worden.

In het volumineuze en prachtig uitgegeven boek Frans M. Olbrechts 1899-1958. Op zoek naar kunst in Afrika (2001) wordt hij omschreven als een ‘pionier’, wiens belang voor de ontwikkeling van zowel de antropologie als de studie van de etnische of niet-westerse kunst nauwelijks kan worden onderschat.

Het belang van de etnografie

De twee Ganeshabeelden die vandaag zo onwezenlijk in het Pand huizen, vinden hun oorsprong dus in de wetenschapsgeschiedenis van de etnografie. Verzamelingen, kabinetten en collecties zijn nodig om etnografische wetenschap te bedrijven – pas na de Tweede Wereldoorlog zal het antropologische veldwerk opgang maken.

In 1938 geeft Olbrechts als ‘directeur der ethnografische verzamelingen der rijksuniversiteit Gent’ een klein boekje uit, getiteld: Kleine musea en hoe ze te beheren. Hij geeft er aanbevelingen in verband met verzamelen, catalogeren, conserveren en presenteren van etnografische voorwerpen, maar duidt ook het belang ervan aan. Etnografische voorwerpen belichten de cultuur van waaruit ze ontstaan zijn, stelt Olbrechts, daarom is het belangrijk ze te bewaren:

‘Alles dus wat in het dagelijksch leven gebruikt wordt: bij de bedrijven en ambachten, in het sociale en ceremonieele leven, in één woord: bij elke activiteit van den mensch als enkeling of als lid van een sociale groep, verdient een plaats in een ethnografische verzameling. Zoowel dus het onooglijke, onbesculpteerde zitbankje als de mooie, door figuren geschraagde zetel; zoowel het houten staafje waarmee het kapsel, de haartooi ontward wordt, als de sierlijk gesneden, met figuren versierde kam; zoowel het democratische “tandenborsteltje”, dat bij sommige stammen dag-in dag-uit tusschen de tanden zit, als het ijzeren stuk gereedschap, waarmee het tandenvijlen of-uitslaan gebeurt’.

Het doel van een Etnografische Verzamelingen is het ‘oude leven’ van vreemde culturen te begrijpen. ‘Dit oude leven’, schrijft Olbrechts, ‘leeren ons de ethnologie en de ethnografie kennen: de ethnologie leert ons de instellingen en de gebruiken, het geloof en de opvattingen, het waarom der dingen in de inheemsche kultuur begrijpen; de ethnografie brengt ons op de hoogte van den vorm, van het uitzicht, van het materieel aspect der dingen’.

Etnografie tentoongesteld

Olbrechts zou de Gentse Etnografische Verzamelingen nog gevoelig doen uitbreiden met aanwinsten uit zijn Ivoorkustexpeditie (1938-1939), uit de Amerikaanse etnografica van het Denver Art Museum (1939) en uit de collectie Alfons Siffer (1941). Zo verdubbelt de collectie tot zo’n vierduizend stuks.

Geleidelijk krijgt deze omvangrijke collectie een tweede functie. Naast het aanwenden van de stukken in het kader van etnografisch onderwijs en onderzoek krijgen ze ook een museale functie; naast hun wetenschappelijke waarde, een esthetische. Al voor de Tweede Wereldoorlog worden voorwerpen uit het Gentse universiteitsmuseum uitgeleend voor tentoonstellingen. ‘De kostbaarheid onzer verzamelingen, en vooral de zeldzaamheid onzer verzameling uit Guatemala zijn oorzaak dat wij meer en meer aanzocht worden ze bekend te maken, zelfs in den vreemde’, klinkt het al in 1929, naar aanleiding van een bruikleen aan het Louvre. Na de Tweede Wereldoorlog nemen de gelegenheden nog toe – de collectie raakt bekender in museummiddens – en belanden Gentse etnografica onder meer in het Museum of Primitive Art in New York en het Baltimore Museum of Art.

In 1968 krijgen de Etnografische Verzamelingen eindelijk, onder impuls van prof. Pieter Jan Vandenhoute, de opvolger van Olbrechts, een eigen museale presentatie in het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. In aangepaste vitrines wordt een selectie uit de etnografische én de archeologische verzamelingen van de universiteit getoond. ‘Hierdoor is de lang beloken tijd van onze Etnografische Verzamelingen als ‘musée fantôme’ op zijn beurt afgesloten’, besluit Vandenhoute. Van een gesloten collectie, verpakt in dozen en kratten, is het een openbare collectie geworden, die bezichtigd kan worden door het publiek.

Het Pand

In 2002 trekken de universitaire collecties weg van de Blandijnberg om een plaats te krijgen in Het Pand. De Etnografische Verzamelingen zijn nog tot 2011 gekoppeld aan de opleiding etnische kunst maar die wordt dan uitgedoofd als gevolg van de introductie van de bachelor en masterstructuur. Zo verliezen de collecties hun bestaansreden; het kunstantropologisch verhaal is immers nu geschiedenis. Maar ook dàt wordt relevant, want onder de koepel van academisch erfgoed worden de verzamelingen sterker gevaloriseerd. Zo gaan ze een dialoog aan met de natuurkundige, technische en geneeskundige collecties van de universiteit. En er wordt gestreefd naar erkenning: de Etnografische Verzamelingen zijn de oudste in hun soort in Vlaanderen en behoren tot de zes Belgische museale collecties etnografie en zijn erkend door UMAC, de internationale stichting voor University museums and collections.

Een nieuwe conservator – dr. Pauline van der Zee – en een nieuw concept – World Art – moeten de etnografische collecties vanuit dit perspectief een nieuwe dynamiek geven. Door het zichtbaar maken van deze kunstobjecten uit niet-westerse culturen en door ontsluiting van wetenschappelijke kennis over deze voorwerpen, wil zij de onderzoeksgemeenschap en het brede publiek sensibiliseren voor culturele diversiteit van vroegere en hedendaagse samenlevingen. Als ‘denkbeelden’ van culturen wereldwijd, krijgen deze kunstvoorwerpen een nieuwe betekenis door de globalisering en nieuwe theorievorming rond interculturalisme, gender en identiteit.

Er wordt een nieuwe, thematische opstelling uitgewerkt, er komen belangrijke uitbreidingen, zoals een permanente bruikleen van maar liefst drieduizend voorwerpen afkomstig uit het voormalige Volkenkundig museum Nijmegen, er wordt samengewerkt met andere musea en ingegaan op bruikleenaanvragen uit binnen- en buitenland. Daarnaast worden kleine onderzoeksprojecten opgestart en collectiepresentaties georganiseerd die op afspraak of bij bijzondere gelegenheden als de Gentse Feesten publiek toegankelijk zijn. ‘We hebben echt wel bijzonder zeldzame stukken en we bezitten een mooie collectie. Het ‘wereldje’ weet dat inmiddels ook, maar om een ruimer publiek aan te spreken hebben we momenteel niet de middelen’, vertelt Van der Zee. Zelf vindt ze de beide Ganesha’s topstukken. Haar favoriet is de blauwgekleurde olifant, de meer volkse god van wijsheid en geluk.

Ruben Mantels
Vakgroep Geschiedenis UGent

 

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Mantels, Ruben. "Etnografische Verzamelingen." UGentMemorie. Laatst gewijzigd 23 september 2016. www.ugentmemorie.be/artikel/etnografische-verzamelingen

 

Literatuur

  • www.evug.be

  • ‘Aanwinsten der verzamelingen van het Oudheidkundig Museum der Hoogeschool in het jaar 1928’, in: Universiteit te Gent. Plechtige opening der leergangen, 1929-1930, 43.

  • Tussen kunst en kennis. Een keuze uit de Gentse universitaire verzamelingen (Gent: RUG 1992).

  • F. Olbrechts, Kleine musea en hoe ze te beheren (Antwerpen: De Sikkel 1938).

  • C. Petridis, Frans M. Olbrechts. 1899-1958. Op zoek naar kunst in Afrika (Antwerpen 2001).

  • P. de Rynck and M. van Vaeck, ‘Het academisch erfgoed in Vlaanderen: Universiteit Gent’themanr. Openbaar Kunstbezit Vlaanderen (Antwerpen 2006).

  • J. Vandenhoute en H. Burssens, De etnografische verzamelingen (Gent 1968).

  • Calsyn, Isaura. ""Voices of the past": tussen object, herinnering en identiteit." Instituut voor Publieksgeschiedenis. Laatst gewijzigd 15.02.2018. www.ipg.ugent.be.

Deel deze pagina: