De universiteit in 1817

De faculteiten krijgen een onderkomen in de stad

De Gentse universiteit krijgt haar hoofdsite in het stadscentrum, op het terrein van het voormalige jezuïetenklooster tussen Korte en Lange Meer en Voldersstraat. De universiteit zal deze site nooit meer verlaten en de stad zal er de komende decennia het hart van de stadsvernieuwing van maken. In afwachting van verbouwingen behelpen de faculteiten van de Rechtsgeleerdheid, Letteren en Wijsbegeerte en Wetenschappen zich met dit terrein. De faculteit Geneeskunde betrekt het Pakhuis op de Korenmarkt, waar later De Post en nog later shoppingcentrum Plaza in zullen huizen, en kan voor de praktijklessen terecht in het burgerlijk hospitaal van de Bijloke. Een derde site van de universiteit bevindt zich aan Baudeloo bij Sint-Jacobs. Daar liggen de Plantentuin en de bibliotheek die de stad schenkt aan de universiteit en kunnen er ook enkele lessen plaatsvinden. Regeringsvertegenwoordiger Repelaer van Driel is tevreden over de bijdrage van de stad: ‘la régence de Gand s’est fait connaître avantageusement … et a fait plus qu’on n’aurait pu exiger d’elle.’ De universiteit beschikt niet enkel over een voorlopig onderkomen voor haar vier faculteiten, de stad engageert zich in 1816 ook om nieuwe auditoria en een ‘Paleis voor de universiteit’ op te trekken in de Voldersstraat.

De organisatie van de universiteit

De inbreng van de stad beperkt zich niet tot het aanbieden van gebouwen. De burgemeester van elke universiteitsstad – in Gent is dat op dat moment graaf de Lens – staat tevens aan het hoofd van het vijfkoppige College van Curatoren van de universiteit, de extra-universitaire Raad van Bestuur met uitgebreide financiële en bestuurlijke bevoegdheden. Behalve uit het College van Curatoren bestaat de academische hiërarchie uit een Academische Senaat, het bestuursorgaan waar alle hoogleraren in zetelen, en zich bekommert om de dagelijkse studie en tucht aan de universiteit. Die Academische Senaat draagt elk jaar een lid voor als Rector Magnificus, die dan benoemd wordt door de koning. Als eerste rector van Gent benoemt Willem I J. Van Rotterdam. Het is een doordachte keuze: Van Rotterdam is geen onbekende aan het Hollandse hof, kent als hoofdgeneesheer van het Gentse burgerlijke ziekenhuis de stad en haar bestuurders en bouwde als wetenschapper een internationale reputatie op. Zoals de rector tijdelijk aan het hoofd staat van de universiteit, zo nemen de decanen de leiding van de faculteiten op zich, bijgestaan door een secretaris.

Een voor het Zuiden revolutionaire benoemingspolitiek

Het is een zwaar bestuursapparaat, zeker als je bedenkt dat de universiteit in 1817 maar 13 hoogleraren telt. Maar binnen die structuren en reglementen is de hoogleraar vrij om zijn onderwijs en onderzoek te organiseren en mag hij over gelijk wel onderwerp zijn mening verkondigen. Volgens het principe van de Duitse Humboldtuniversiteit worden de hoogleraren door de staat benoemd en niet meer door de universiteit zelf. Dit beginsel heeft een impact op de rekrutering van de hoogleraren: die worden geselecteerd op basis van hun kennis en kunde. De corporatistische reflex, aanwezig in de achttiende-eeuwse, klerikale universiteiten, wordt op die manier tegengegaan. Voor het Zuiden is deze aanpak redelijk revolutionair en het Leuvens episcopaat is niet te spreken over het verwerpen van zijn eis dat alle hoogleraren katholiek moeten zijn.

De hoogleraren van Gent

De vooruitstrevende benoemingspolitiek heeft wel tot gevolg dat de zoektocht naar bekwame hoogleraren voor de drie universiteiten zeer moeizaam verloopt. Er zijn nu eenmaal maar weinig Belgen die in aanmerking komen voor een leerstoel. Het pessimisme wordt verwoord door de Nederlandse gezant en staatsman Kemper: ‘Over het geheel is mijn onderzoek naar Belgische geleerden zeer ongunstig uitgevallen. Praters ja, die heb ik in overvloed ontmoet, maar geleerden, zoo als wij dit woord in de Noordelijke provinciën opvatten geenen enkelen’. Het hooglerarenkorps moet noodgedwongen worden versterkt met buitenlandse geleerden. Maar ook daar is de keuze beperkt: de Noord-Nederlandse hoogleraren zijn nodig in de heropende Hollandse universiteiten en de overheid is niet happig om veel Franse geleerden over te brengen. De vorst wil breken met de traditionele gerichtheid op Frankrijk en met het strenge en sterk controlerende Franse universiteitsmodel. De keuze voor Duitse geleerden is daarmee gemaakt en met hun komst worden ook de moderne universiteitsideeën en pedagogische methodes geïmporteerd. Het Gentse korps wordt uiteindelijk gevormd door vijf Belgen, twee Fransen, twee Nederlanders, twee Duitsers en een Luxemburger. De Belgen zijn met Kluyskens, Van Rotterdam en Verbeeck, adepten van de Gentse Medische School, hoofdzakelijk in de faculteit Geneeskunde vertegenwoordigd. Maar ook de jurist Hellebaut is een vertegenwoordiger van de Gentse elite.

De eerste studenten

In oktober en november laat het College van Curatoren aanplakbrieven verspreiden die studenten oproepen zich in te schrijven voor de leergangen. Het niveau van de studenten die zich aanmelden is erg verschillend: sommigen studeerden al in het buitenland, anderen zijn afkomstig van de Gentse School voor Geneeskunde of van de voormalige Brusselse rechtsfaculteit en nog anderen komen rechtstreeks van de stedelijke of bisschoppelijke colleges. Bij de selectie primeert kwantiteit op kwaliteit en de jury van de toelatingsexamens is niet zo strikt in het tegenhouden van ongeschikte studenten. De Gentse gemeenteraad, die erop gebrand is de nieuwe universiteit te zien floreren, doet opnieuw haar duit in het zakje en stelt verschillende studiebeurzen ter beschikking om minder gefortuneerde jongens de kans te geven te studeren. De stad toont zich hierin een grotere weldoener dan de andere universiteitssteden Leuven en Luik en zal in 1818 terecht worden gewezen door de overheid, omdat het de beurzen enkel aan Gentenaars toewijst. Uiteindelijk schrijven zich op de eerste rol van de Gentse universiteit 190 studenten in, wat minder is dan Leuven met 230 studenten en Luik met 259 studenten. Aanvankelijk zijn daar nog enkele Noord-Nederlanders bij maar na een aantal jaren bestaat het studentenkorps van Gent vooral uit Oost- en West-Vlamingen.

Stad en universiteit floreren in de Hollandse periode

Dertien jaar later, in 1830, is de Gentse studentenpopulatie spectaculair aangegroeid tot 414 studenten en schittert in de Voldersstraat een prestigieus ‘Paleis van de universiteit’. Gent geniet van een intellectuele en culturele vooruitgang die ongetwijfeld wordt gestimuleerd door de komst van de universiteit. Die kan op haar beurt dankzij de goede zorgen van vorst en stad uitgroeien tot een stevige instelling met een degelijke kennisproductie. Maar het optimisme, de dankbaarheid en de loyaliteit van de Gentenaars worden niet gedeeld door de rest van de Zuidelijke Nederlanden. De Brusselse liberale bourgeoisie hekelt de universiteit als staatsinstelling, de clerus legt zich niet neer bij de secularisering van het onderwijs en ook de keuze van het Latijn als onderwijstaal stoot algemeen op veel kritiek. De kwesties zijn slechts een van de vele voedingsbodems voor de Belgische Revolutie van 1830.

Fien Danniau
Vakgroep Geschiedenis
20 augustus 2010

 

Hoe verwijs je naar dit artikel?
Danniau, Fien. "De universiteit in 1817". UGentMemorie. Laatst gewijzigd 01.09.2015. www.ugentmemorie.be/artikel/de-universiteit-in-1817.

 

Literatuur

  • R.F. Apers, ‘Uit het verleden der Gentse universiteit’, in: De RUG en het studentenleven te Gent, Gent, 1949, pp. 25-43.

  • Herman Balthazar, ‘19de en 20ste eeuw. Groei tot industriële grootstad’, in: Johan Decavele (red.), Gent: apologie van een rebelse stad, Antwerpen, 1989, pp. 155-183.

  • Karel De Clerck, ‘De stichting van de Gentse Universiteit’, in: Hoofdmomenten uit de ontwikkeling van de Gentse Rijksuniversiteit (1817-1967), Gent, 1967, pp. 5-27.

  • Patrick De Rynck en Mark Van Vaeck, Het academisch erfgoed in Vlaanderen : Universiteit Gent, Antwerpen, 2006, (Openbaar Kunstbezit Vlaanderen).

  • Andrée Despy-Meyer, ‘Instellingen en netwerken’, in: Robert Halleux (red.), Geschiedenis van de wetenschappen in België, 2001, Brussel, pp. 71-89.

  • Pieter Dhondt, Een tweevoudig compromis. Discussies over universitair onderwijs in het negentiende-eeuwse België, Leuven, 2005, (onuitg. doctoraatverhandeling).

  • Walter Rüegg, A History of the university in Europe. III: Universities in the nineteenth and early twentieth centuries (1800-1945), Cambridge, 2004.

  • G. Sanders, ‘De Rijksuniversiteit te Gent anderhalve eeuw jong’, in: Robert Léon Plancke (red.), Rijksuniversiteit Gent 1817-1967, Gent, 1967, pp. 1-46.

  • Els Witte, ‘Professoren aan de Gentse Rijksuniversiteit: tussen academische vrijheid, pluralisme en neutraliteit (1817-1965)’, in: Jan Art en Luc François (red.), Docendo discimus : liber amicorum Romain van Eenoo, Gent, 1999, pp. 995-1020.

Deel deze pagina: 

Herinneringen

De regeringscommissaris is tevreden over de inspangen die het Gentse stadsbestuur deed voor de universiteit

D’après le règlement organique, c’était aux villes à fournir les bâtiments nécessaires et à pouvoir aux premiers besoins matériels de l’enseignement. (…) La régence de Gand s’est fait connaître avantageusement sous ce rapport, et a fait plus qu’on n’aurait pu exiger d’elle. Un grand bâtiment sera fondé à ses frais et servira non-seulement aux besoins de l’université, mais contribuera à augmenter la splendeur. En attendant, les édifices nécessaires ont été mis à la disposition de l’université. Elle vient aussi de satisfaire la première au vœu de l’art. 158 du règlement, en accordant des bourses sur la caisse communale à des élèves moins aisés de l’université.

(De functionaris Repelaer van Driel eert de inspanningen van de stad Gent in zijn jaarverslag van 1818 voor de Staten-Generaal van het Verenigd Koninkrijk)

Op.cit. G. Sanders, ‘De Rijksuniversiteit te Gent anderhalve eeuw jong’, in: Robert Léon Plancke (red.), Rijksuniversiteit Gent 1817-1967, Gent, 1967, p. 10.

Veel praters, weinig geleerden, zo oordeelt Kemper in zijn zoektocht naar hoogleraren in het Zuiden

Over het geheel is mijn zoektocht naar Belgische geleerden zeer ongunstig uitgevallen. Praters ja die hen ik in overvloed ontmoet, maar geleerden, zoo als wij dit woord in de Noordelijke provincien opvatten geenen enkelen, indien gij de Kanunnik de Bast uitzondert, wiens jaren het onmogelijk maken, hem in aanmerking te nemen, en nog eenige weinige anderen, die, alleen uit liefhebbery de eene of andere tak van geleerdheid beoefenen, de carriere van onderwijzers noch zoeken, noch aanvaarden zouden.

(De jurist J.M. Kemper in een brief aan aan Willem)

Brief bewaard in: Algemeen Rijksarchief Den Haag.

De Nederlandse hoogleraar Schrant reageert zeer emotioneel op de Belgische opstand tegen WIllem I

De opstand en afval der Belgen van hunnen wettigen vorst draagt den stempel van den zwartsten ondank, en, getoetst aan den geest des Christendoms, is hij onchristelijk, misdadig, in den volsten zin doemwaardig. (...) Vergeet dan, Sire! vergeet de Belgen, zij zijn uwer onwaardig. Dat zij woelen, dat zij elkander verslinden! Dan, wanneer de razernij ophoudt, en de rede haar gezag herneemt, zal men zijne dwaling inzien en zelf het doemvonnis uitspreken over gehouden gedrag.’

(Nederlandse priester Johannes M. Schrant, hoogleraar Nederlandse Letterkunde en Welsprekendheid in Gent 1817-1830)

uit anoniem gepubliceerd pamflet: De opstand en afval der Belgen getoetst aan den geest des christendoms, door een roomsch-katholyk priester, (7 maart 1831).

George Bergmann was als student getuige van de transformatie van Gent in de Hollandse tijd

Gent, het zoo doodsche Gent van vroeger, had zich aan zijnen langen slaap losgerukt, om een nieuw leven te beginnen; verschillende belangrijke nijverheidsgestichten hadden zich in zijn midden gevestigd, en, dank aan de machtige tussenkomst van Koning Willem, hadden zij meest alle eene ontzaglijke ontwikkeling en welvaart bereikt. Langs den anderen kant had, door de vestiging eener hoogeschool in Gent, die stad nevens hare stoffelijke welvaart ook hare verstandelijke ontwikkeling zien aangroeien.

(George Bergman, student in Gent in 1824-1828)

 uit: George Karel Lodewijk Bergmann, Uit vader Bergmann's gedenkschriften, Gent, 1895, p. 215-216.

 

Een gelukkige rector Van Rotterdam schrijft de commissaris-generaal op de vooravond van de start van de colleges

Curatoren, Professoren en Rector syn in de beste verstandhouding: het is onmogelijk betere harmonie te bedenken: alle syn wy met zoo veel iever werkzaam, als wy besielt syn, met dankbaare herkentenisse aen onsen goeden koning aen wie onse stad en wy in het besonder zoo veel verpligting schuldig syn; ook sal niemand van ons out, denki ik vastelyk, konne vergeete, de besondere genegenheyd en waarlyk buytengewoone goedwilligheyd, met de welke UE. Excellentie in alle omstandigheden ons heeft voorgekomen

(Rector Van Rotterdam in een brief aan de commissaris-generaal op 3 november 1817)

Brief bewaard in: Algemeen Rijksarchief Den Haag, Archief van de Commissaris-Generaaal van O.K.W., nr. 2657.)

F.P. Cassel blikt terug op zijn tijd als eerste hoogleraar Plantkunde in Gent

‘Want Gij hebt gewild, dat ik aan de Universiteit van de bloemenlievende stad, in de Scientia ambities zou onderwijs geven. En in het beroemde Gent vond ik een plantentuin, rijk aan schatten uit alle landstreken; ook inwoners , die de cultus van Flora volledig zijn toegedaan, zodat, wie de plantkunde bemint, moeilijk een plaats kan vinden, die gunstiger is dan deze stad.”

(F.P. Cassel, eerste hoogleraar Plantkunde van de Gentse universiteit in 1817-1819/20)

Uit: Franciscus Petrus Cassel, Morphonomia botanica, sive observationes circa proportionem et evolutionem partium plantarum (Keulen: DuMont-Schauberg, 1820) s.p..

Nederlandse vertaling uit Michel Thiéry, Bij de 150e verjaardag van de Plantentuin der Universiteit Gent (1797-1947) (Gent: Snoeck, 1947) 27.